Opleiding nodig voor vertaalslag tussen technologie en praktijk

Binnen de gezondheidszorg wordt  steeds meer geïnvesteerd in ICT-oplossingen en tools om zo in te spelen op demografische, maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Om technologie te laten ‘landen’ in de praktijk zijn meer professionals nodig die een vertaalslag kunnen maken tussen deze zorgpraktijk en (innovatieve) technologie.  Daarvoor zijn meer (deeltijd)opleidingen nodig, waarvan er ook een toenemend aantal in Nederland te vinden is. Onder meer bij Fontys Hogescholen.

Associate Degree Zorg en Technologie

Fontys heeft bij de vertaalslag in het onderwijs gekozen voor een opleiding Zorg en Technologie: een 2-jarige hbo-Associate degree (niveau 5) voor mensen die willen werken op het snijvlak tussen zorgaanbod, zorgvraag en technologische oplossingen. De eerste groep studenten is reeds afgestudeerd en actief werkzaam in de praktijk.

Mogelijke rollen

Mogelijke rollen voor een  adviseur zorg en technologie zijn:

  • transferverpleegkundige die technologie inzet om langer veilig thuis te wonen;
  • indiceren van zorg en het stimuleren van technologie ter preventie van (chronische) gezondheidsaandoeningen;
  • adviseur inkoop en uitleen van technologische innovaties bij thuiszorgwinkels;
  • verpleegkundige met aandachtsgebied technologie;
  • technisch onderhoudsadviseur /ontwikkelaar om technische innovaties te (laten) ontwikkelen die aansluiten bij behoeften van een zorgvrager.
  • zorgmedewerker/doktersassistent die technologische ontwikkelingen implementeert in de eigen organisatie.

Diverse achtergronden

Studenten binnen de opleiding hebben een zeer diverse achtergrond. Dat varieert van een thuiszorgmedewerker en een verpleegkundige met interesse in technologie, tot iemand met een technisch beroep  in een zorginstelling. Naast hun baan volgen zij drie dagdelen per week de opleiding, in de avond of late middag (12 contacturen en 10 à 12 uren voor zelfstudie). Deze dagdelen zijn deels online en deels op school.

Bij de opleiding is gekozen voor een praktische insteek met actieve leervormen om zo ervaring op te doen met diverse vormen van technologie, gerelateerd aan verschillende thema’s. Voorbeelden zijn het stimuleren van een gezonde en actieve leefstijl, zorg op afstand, wijkgerichte zorg en ondersteuning, meten in de zorg en ondersteunende technologie en zorgrobotica.

De technologie is divers, het varieert van apps, domotica, wearables, smart glasses en smart speakers tot robotica zoals sociale robots. Na deze ‘inventarisatie’ gaan studenten aan de slag om een verbeterslag te realiseren met een technologische oplossing en wordt deze met de (eind)gebruikers geëvalueerd.

Het leren vindt eigenlijk vooral in de praktijk. In ‘Communities of Practice’ werken studenten samen met zorgprofessionals aan verschillende opdrachten (zie kader hieronder) die in de praktijk leven en waarin technologie een rol speelt of kan spelen. In deze Communities of Practice gaan studenten in gesprek met bewoners en zorgprofessionals om behoeften te peilen en te observeren welke technologische oplossingen en tools wel of niet worden gebruikt.

Voorbeelden van opdrachten.

  1. In de directe omgeving interviewen de studenten mensen die een loophulpmiddel hebben en wordt er door middel van 3D-printing een verbetering van dit hulpmiddel geprint.
  2. Voor een persoon die door spasmen niet in staat is om verstaanbaar te spreken voor een smart speaker (Google Home), bewerken studenten een spraakcomputer die de stem van deze persoon wel kan herkennen en diens ‘persoonlijke’ commando’s herhaalt om Google home een bepaalde actie uit te laten voeren, zoals “doe de lamp aan” of “zet de radio uit”.
  3. In een verpleeghuis staat een Tovertafel die niet wordt gebruikt. Niemand weet hoe het apparaat werkt, de afstandsbediening is kwijt en de houten tafel waarop wordt geprojecteerd heeft ‘nerven’ waardoor het beeld niet scherp is. Studenten zorgen voor een nieuwe tafel, geven, in overleg met de firma een update aan de software van de tovertafel, proberen de spellen uit met bewoners en scholen het personeel bij in het gebruik ervan via een kort instructiefilmpje. Voor de afstandsbediening maken ze een ‘marker’ waar die na gebruik moet worden teruggelegd.
  4. In een afgesloten ruimte staat een apparaat (Qwiek) waarmee filmpjes kunnen worden geprojecteerd. Uit observaties blijkt dat niemand hier voor gaat zitten. Studenten komen tot de ontdekking dat het apparaat bedoeld is als interventie bij onrust, en vooral van pas kan komen bij ochtend- of avondverzorging. Na overleg met het personeel proberen ze dit uit bij enkele cliënten en sommigen reageren hier bijzonder goed op. Uit de gebruiksaanwijzing blijkt dat je de Qwiek ook gepersonaliseerd kunt inzetten door zelf filmpjes op stick te gebruiken. Studenten doen dit voor een paar mensen. Uit evaluaties blijkt dat de Qwiek van meerwaarde is voor interventies bij onrust, als middel om het gesprek op gang te brengen tussen zorgvrager en zorgverlener en mantelzorgers en als ‘rustgevende overgang’ na een actieve bijeenkomst.
  5. Een beddenfabrikant heeft een anti-decubites matras ontwikkeld. Het grote voordeel van het matras is dat het gemakkelijk (bijvoorbeeld onder een douche) afgespoeld kan worden. De studenten testen dit matras in de praktijk door eerste zelf gebruik te maken van het matras en er later cliënten op te laten slapen. Met de gegevens met betrekking tot decubitus, de gebruikservaring en het makkelijk onderhouden van het matras, heeft de fabrikant wat aanpassingen gedaan.

In de tweede helft van het eerste jaar gaan studenten zich meer focussen op hoe specifieke technologie in de zorg ingezet kan worden. Daar wordt een advies van gemaakt voor een zorginstelling. Dit kan betrekking hebben op domotica, beeldzorg of een andere toepassing. Het advies kan worden meegenomen in het aanschafbeleid van de instelling. Het kan nieuwe systemen betreffen, maar het kan ook gaan om op een persoon afgestemde technologische oplossing voor ondersteuning van dagelijkse handelingen (zoals een hulpmiddel voor het openen van gordijnen, kastjes e.d. of het bedienen van apparaten) of als ondersteuning in sociale netwerken (bijvoorbeeld om contact te versterken met de buitenwereld). In het laatste jaar werken studenten ten slotte een probleem in de eigen praktijk uit met een technologische oplossing.

Wat vinden de studenten

Studenten blijken het contact met de praktijk te waarderen, evenals het werken met échte projecten die aansluiten bij de behoefte van de professionals en de zorgvragers. Verder is er waardering voor de manier van lesgeven en voor het aanbod van lesstof die past bij het specifieke onderwerp waar een student op dat moment mee bezig is. Bijvoorbeeld rondom een bepaald ziektebeeld en technologie die daarbij passend kan zijn. Het vraagt wel van studenten dat ze zelf initiatief kunnen en durven nemen en dat ze met relatief weinig structuur toch vertrouwen hebben dat ze een oplossing gaan vinden voor problemen die ze tegenkomen.

Docenten

De docenten van Zorg & Technologie ondersteunen het activerend leren van studenten. Het team is net zo uiteenlopend als de studenten zelf: een aanjager, het creatieve brein, de technicus die alles maken kan, de fanatiekeling die zelf ook nog in de praktijk werkt, de senior die zichzelf atechnisch vindt maar wel nieuwsgierig is en de houding aanneemt ‘nooit te oud om te leren’ en tenslotte de vraagbaak die kan improviseren maar ook vage ideeën kan concretiseren.

Het zijn mensen met lef en flexibiliteit die niet pretenderen het zelf allemaal te weten. De lol en de kracht zit nu juist in het samen met studenten ontdekken wat werkt, voor wie en in welke situatie.

Meer informatie over de opleiding Zorg & Technologie is hier te vinden. Er kan ook direct contact worden opgenomen met Stan Ockers, coördinator van de opleiding, via s.ockers@fontys.nl.